Julia bezoekt Tanzania

Julia, onze secretaris, trok afgelopen zomer door Tanzania. Daar bezocht ze enkele albino’s die zonnebrand van Stichting Afrikaanse Albino’s ontvingen. Ze werd geraakt door hun levens en deelt haar verhalen in de vorm van twee reisverslagen. Deze eerste gaat over Dora, een albinovrouw die leeft in Mto wa Mbu, Tanzania.

In Mto wa Mbu werden we opgehaald door Dora, een vrouw op middelbare leeftijd met albinisme. Ze pikte ons op langs de kant van de weg. Al van ver konden we haar witte huid onderscheiden van de donker gepigmenteerde huiden van de andere Afrikanen. De zon scheen op haar haast reflecterende huid. Aan haar hand loopt haar nichtje, Irene, die haar slechtziende tante om wegobstakels heenleidt. Dora kan door haar aandoening moeilijk zien en de wegen liggen vaak vol stenen en andere oneffenheden, wat lopen zonder vallen een opgave maakt.

In het huis van Dora zijn twee vrouwen bijeengekomen die beide moeder zijn van een albinokindje. Ze vertellen mij over hun leven.

Het gebeurt vaak dat, na het baren van een baby met albinisme, moeders wegrennen uit het ziekenhuis. Ze zijn bang voor de gevolgen of bang om geassocieerd te worden met een albinokindje. Waar de verpleegkundigen hen feliciteren met het baren van een blanke baby, rent de familie van de vrouwen van hen weg. Deze moeders zijn verlaten door hun partner. Dit is een gevolg van het geloof dat een donkere vrouw is vreemdgegaan met een blanke man wanneer het een blanke baby baart. God zou haar gestraft hebben voor haar zonden door haar een kind met albinisme te geven.

Een van de vrouwen kan nog enigszins terugvallen op haar familie, die wel bereid is te helpen met de opvoeding van het kind. De andere vrouw staat er helemaal alleen voor. Haar familie heeft haar en haar kindje verstoten, omdat niemand anders in de familie er zo gek wit uit ziet.

Beide vrouwen durven niet opnieuw kinderen te baren. Het is al moeilijk om rond te komen met kinderen in Tanzania, laat staan met een kindje met albinisme. Niet alleen omdat ze speciale zorg, medicijnen en zonnebrand nodig hebben, maar ook omdat er in deze landen nog op albino’s wordt gejaagd. Medicijnmannen gebruiken de organen van mensen met albinisme om een middel te maken tegen ziektes. Ze geloven dat dit een genezende werking heeft.

Beide moeders zijn onzeker over de toekomst. Het is moeilijk mensen te vertrouwen, omdat albino’s veel geld op kunnen leveren wanneer je ze verkoopt aan een medicijnman. Daarnaast zien beide kinderen slecht en hebben ze speciaal onderwijs nodig, wat zo goed als onbetaalbaar is. En zonder onderwijs geen baan. Zo zal er te weinig geld blijven om de nodige beschermende middelen aan te schaffen voor hun kindjes.

De vrouwen hopen het beste voor hun kinderen, maar zien in hoe moeilijk hun leven zal worden. Zo lang de verhalen over albinisme blijven bestaan, wordt het nooit geaccepteerd als een ziekte en zullen hun kinderen opgroeien in een wereld waarin men gelooft in de genezende kracht van hun botten en dat ze een straf van God zijn. En dat is geen omgeving waar je als mens in zou moeten opgroeien.

Volgende week deelt Julia het tweede deel van haar reis in Maasai, Tanzania.